De overwinning is een opsteker. Dat is een meevaller. Het had ook een afknapper kunnen zijn. Of een zoethouder, een misser of een uitglijer. Dat zou pas een giller zijn geweest.
Ik heb het over woorden die je niet zo vaak gebruikt in de frisse lucht, maar in verslagen schijnen ze wel te gedijen. En als je er even bij stilstaat, blijken ze best wel interessant, zoals meer dingen die woekeren in verborgenheid.
Het zijn zelfstandige naamwoorden, en zijn gemaakt van de stam van een werkwoord en de uitgang –er. Op die manier kun je er tienduizenden maken in het Nederlands waarbij iedereen meteen begrijpt waarover je het hebt. Een bloemschikker, een kontlikker, een cannabiskweker, een wielrenner. In al die gevallen krijg je een mannelijke persoon die zich ergens mee bezighoudt.
Sommige van deze woorden slaan niet op mensen. Ik denk aan de vliegenvanger, de grasmaaier, de wekker. Slechts zelden zul je twijfelen of het om een apparaat of een persoon gaat, maar bijvoorbeeld een vaatwasser en de sneeuwruimer kunnen voor de twee.
Merkwaardiger is dat het woord op –er soms aanduidt wie of wat het ‘slachtoffer’ is van de handeling. Een bijsluiter bijvoorbeeld is niet iemand die iets bij sluit, maar iets wat ergens bij gesloten wordt. Op dezelfde manier is een deurhanger iets wat aan de deur wordt gehangen.
Ten slotte kennen we er-woorden die de oorzaak aanduiden van de handeling in het werkwoord. Een giller doet ons gillen en een dijenkletser doet ons kletsen op de dijen.
We keren terug naar de opsteker. In tegenstelling tot de meevaller (die meevalt) en de zoethouder (die ons zoet houdt), zie je niet meteen wat de opsteker zou kunnen opsteken. Daar moet een andere verklaring voor zijn. Die vindt de taalkundige Paul Kempeneers in het rijksarchief in Leuven. Uit de Rekeningen van de drossaard van hertogdom Aarschot leert hij dat ene Jasper Verhofstadt ‘met eenen opsteker’ aangevallen werd in 1551. Vier jaar later een vergelijkbaar feit: ‘eenen ghenaempt henrick leysens anno XVCLV heeft eenen ghewondt ghehadt, gheheeten henrick koenen, met eenen opsteckere van achtere in zynen rugge.’
Een opsteker is dus een soort mes, een dolk. Het Woordenboek der Nederlandse Taal weet meer. Het woord is verwant met het Duitse Aufstecher en betekent ‘een werktuig waarmede men iets open steekt’ en dat doorgaans in een schede werd gedragen als wapen.
Je weet dat het cynisme me niet vreemd is. Dus als ik tegen je zeg: ‘ik steek een mes in je rug’, is het bedoeld als een opsteker.
Delen

Geen opmerkingen:
Een reactie posten